Kindercardiologie

 

Ingrid Frohn-Mulder

 

Spreker introduceert zichzelf: zij is lid van Probusclub Hillemien en heeft daar ook een lezing gegeven over kindercardiologie.
In haar lezing zal ze kort ingaan op de vraag hoe je kindercardioloog wordt en vooral op de vraag wat je dan doet; ook zal ze kort stilstaan bij de (politieke) discussie over de concentratie bij kinderhartchirurgie.

Hoe word je kindercardioloog?
Kindercardiologie is een verdere specialisatie binnen de kindergeneeskunde, een specialisatie van 3 jaar na een studie geneeskunde (6 jaar). Binnen de kindercardiologie kan iemand weer verder specialiseren (bijvoorbeeld hartchirurgie; niet iedere kindercardioloog is hartchirurg!).
Een specialist kan op een onderwerp binnen zijn/haar vakgebied gepromoveerd zijn, maar dat hoeft niet; spreker heeft wel onderzoek van promovendi begeleid, maar is zelf niet gepromoveerd.

Wat doet een kindercardioloog?
De hoofdtaak van een kindercardioloog is patiëntenzorg voor “kinderen” tot 18 jaar, maar ook voor ongeboren babys. Daarnaast doe je (zeker in een academisch ziekenhuis) onderzoek en onderwijs.
Patiëntenzorg omvat:
–  diagnose:
   +  anamnese (luisteren welke klachten de patiënt heeft) en
   +  lichamelijk onderzoek (luisteren, echo, ECG, hartkatheterisatie)
–  behandeling:
  +  niks doen
  +  medicatie (vanwege nog [zeer] beperkt lichaamsgewicht gaat dat om
      kleine doses)
  +  operatie (bijvoorbeeld een omleiding, maar dat is bij kinderen zelden
      aan de orde; hartkatheterisatie of transplantatie).

Spreker gaat vervolgens in op een aantal aandoeningen:
–  een opengebleven ductus, dat is een gaatje waarmee voor de
    geboorte zuurstofrijk bloed vanuit de placenta naar de
    slagaders gaat. Dat gaatje hoort bij de geboorte, wanneer de
    longen van de baby voor de zuurstofvoorziening moeten
    gaan zorgen, gesloten te worden, maar dat gebeurt niet
    altijd. En zeker niet bij vroeggeboorten.
    Dat gaatje kan gesloten worden met een soort stop (twee plaatjes aan
    weerskanten van de wand, die strak tegen elkaar gedrukt worden);
–  ritmestoringen (herstel met een ECD als het ritme te snel is of als dat
    te langzaam is met een soort pacemaker);
–  verkeerde aansluiting van kamers en/of boezems, waardoor
    zuurstofarm bloed weer naar de lichaamsslagader gaat of
    (andersom) zuurstofrijk bloed opnieuw naar de longen.

Ze gaat ook in op de discussie die nu tussen de academische ziekenhuizen en het ministerie speelt over de concentratie van kinderhartchirurgie. Ze benadrukt, dat een chirurg veel ervaring moet hebben en dus veel operaties moet doen op een heel specifiek deelgebied om goede kwaliteit te leveren. Dat vraagt om een zeer beperkt aantal operatiecentra. Een kind hoeft daarbij alleen voor de operatie zelf, doorgaans dus op één dag heen en terug, naar zo’n operatiecentrum; de zorg ervoor of erna kan gewoon in het eigen ziekenhuis worden gegeven.

Tenslotte gaat spreker nog kort in op de discussie welke zorg aan de orde kan zijn bij zeer ernstige afwijkingen: kies je dan voor palliatieve zorg of opereer je toch met groot risico?

Omdat de powerpoint van deze lezing ook patiëntjes laat zien, heeft spreker geen toestemming gegeven om de powerpoint op de website te plaatsen. De presentatie kan dus niet worden bekeken of gedownload.