Het ziekenfondswezen voor 1941

 

Karel-Peter Companje

 

Vanaf ca 1850 bestaan er plaatselijke ziekenfondsen, opgericht door afdelingen van de Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (NMG). Rond 1900 verzekeren deze ziekenfondsen zo’n 1 mln leden (bijna 20% van de Nederlandse bevolking), vooral in de steden. De fondsen worden bestuurd door artsen en/of leden. Ze zijn vooral bedoeld als vrijwillige verzekering voor minvermogenden (de welstandsgrenzen zijn lokaal bepaald) voor medische kosten, voornamelijk van de huisarts en apotheek; soms (bijvoorbeeld bij het Algemeen Ziekenfonds Rotterdam) kan men zich ook verzekeren tegen (een deel) van de kosten van tandheelkundige hulp. 
De huisarts krijgt ofwel een vast bedrag per patiënt (abonnement) ofwel een vergoeding per verrichting. Sommige fondsen kennen een vrije artskeuze, andere niet.

Vanaf 1908 komt er van regeringswege (minister Talma) met de Raden van Arbeid een begin van sociale zekerheid. Er komt naast regelingen voor invaliditeit en ouderdom een aparte verzekering voor ziekengeld en een landelijke regeling voor ziekenfondsen met collectieve overeenkomsten tussen fondsen en zorgaanbieders.
Per stad of dorp zijn de premies en de verstrekkingen uniform waarmee concurrentie tussen fondsen ontbreekt.
In “witte” gebieden (waar tot dan nog geen fondsen bestonden) richt de NMG dan “Maatschappijfondsen” op. 
Er bestaan dan ook “Arbeidersfondsen”, met artsen in loondienst, wat de NMG niet wil.
Ziekenhuisverpleging valt buiten de verzekering van de fondsen.

Vanaf 1918 doet minister Aalberse meerdere pogingen om het ziekenfondsbestel wettelijk te regelen. Door begrotingstekorten (en dus geen ruimte om aan een nieuw systeem bij te dragen) en gebrek aan maatschappelijk draagvlak (bij NMG, ziekenfondsen en vakbeweging) lukt hem dit niet; het systeem blijft in stand tot 1941, wanneer de bezetter het naar Duits model wijzigt.

De presentatie is te bekijken en/of te downloaden via deze link.