
Onderzoek naar en normen betreffende lawaai en muziek
Dr. J. (Hans) Verschuure, oud hoofd Gehoor- en Spraakcentrum, Erasmus MC, Rotterdam
Het is al lang bekend dat werkers in lawaaiige fabrieken gehoorschade kunnen oplopen. Het onderzoek daarna is na de tweede wereldoorlog op gang gekomen en in normen vastgelegd. Voor het regelen van deze zaken is het nodig eerst de drempel voor normaalhorenden vast te leggen en vervolgens hoe ons gehoor met de leeftijd verslechtert. Pas daarna kan worden vastgesteld wat het extra gehoorverlies is ten gevolge van lawaai. Deze onderzoeken zijn pas in de tweede helft van de twintigste eeuw gedaan en in 1985 in internationale normen vastgelegd.
In de zeventig jaren werd sterke nadruk gelegd op het betalen van schade door de “vervuiler”. Hiervoor ontstond een beweging om bedrijven verantwoordelijk te stellen voor gehoorschade van hun medewerkers. In sommige landen werden hiervoor normen opgesteld en werden compensatieregelingen gemaakt. Deze compensatiemaatregelen zijn echter weer snel ingetrokken toen duidelijk werd dat ook rockmuziek en andere vrijetijdsbestedingen gehoorschade konden geven.
Lange tijd werd er van uitgegaan dat klassieke muziek geen gehoorschade zou geven. Onderzoek liet zien dat dit onjuist is. Inmiddels is een convenant afgesproken tussen musici en orkestdirecties om de kans op gehoorschade bij orkestmusici zo klein mogelijk te maken. Deze afspraken zijn o.a. het gebruik van geluidschotten in het orkest, het hoger plaatsen van de blazers en een afwisseling van luide met minder luide muziekstukken in het programma.
Een groot probleem lijkt nu te ontstaan met het gebruik van mp3 spelers door jongeren die daarnaast ook naar concerten en discotheken gaan. Over deze gevaren is in 2008 op verzoek van de Europese commissaris voor consumentenzaken een rapport uitgebracht door een wetenschappelijke commissie (scientific committee on emerging and newly identified health risks; SCENIHR). De uitkomst is dat dit een reëel en groeiend probleem is. De Europese commissaris riep op om te komen tot wettelijke maatregelen in de lidstaten.
In het SCENIHR rapport wordt een schatting gegeven van op grond van de toen beschikbare, wat oudere cijfers (walkman, discman). Het geeft aan dat we gehoorschade kunnen verwachten bij 5 tot 10% van de bevolking, een getal dat een decennium geleden ook werd gevonden in een onderzoek in Leiden van het Nederlands Instituut voor Preventieve Geneeskunde. De geluidskwaliteit van de mp3 spelers en dergelijke is beter dan van de oudere geluidsdragers en de kleine en makkelijk draagbare kastjes kunnen een hoger geluidsniveau produceren zonder vervorming. Voorlichting over de risico’s wordt uitvoerig gegeven aan jongeren, echter zonder veel succes. Een recent onderzoek (2009) hiernaar onder 12- tot 19-jarigen in Rotterdam en Friesland laat zien dat van voorlichting aan deze groep niet veel te verwachten is. Verder blijkt dat de betere geluidskwaliteit en draagbaarheid van mp3 spelers leidt tot een verhoging van het aantal gehoorbeschadigingen onder deze groep jongeren. De schatting van dit laatste onderzoek komt tot het onrustbarende getal van 42,5% van de jongeren, waarbij personal audio spelers (mp3 spelers ed) verantwoordelijk zijn voor een bijdrage in schade bij 25,7% van de jongeren en bezoek aan discotheken en popconcerten voor 23,0%.
De presentatie is beschikbaar als pdf bestand.