
Marius Bauer (1867-1932), schilder van het Oosten
Ronald Frings
Marius Bauer was 21 jaar oud toen hij scheep ging voor zijn eerste grote reis. Deze tocht, in het najaar van 1888, voerde hem naar Istanbul, de oude koepelstad aan de Bosporus. Daar raakte hij voor altijd in de ban van het Oosten. Uit een brief aan zijn moeder blijkt het effect dat deze volkomen onbekende wereld op hem had: ‘Ik heb nu wel een vast doel voor ogen, iets dat ik voor die tijd geheel miste.’ Zo begon een leven van reizen en trekken dat hem in de loop der jaren de uithoeken van de aarde deed zien en dat de voedingsbodem voor zijn kunst zou vormen. Hij bezocht meerdere malen het Nabije Oosten maar hij ging ook naar Rusland, India, Noord-Afrika en zelfs naar Indo-China en Nederlands-Indië. Aanvankelijk reisde hij vrijwel altijd alleen, later werd hij vergezeld door Jo Stumpff (1873-1964) met wie hij in 1902 trouwde.
Bauer werd in1867 in Den Haag geboren. Artistieke vorming en het ontwikkelen van kunstzinnige belangstelling maakten een belangrijk deel uit van zijn opvoeding. Zijn vader, die decoratieschilder was, hield met hem een plakboek bij waarin de meest uiteenlopende afbeeldingen werden verzameld, waaronder plaatjes van het Oosten. Zijn ouders vonden tekenonderricht belangrijk waardoor Marius vroeg de kans kreeg zijn artistieke aanleg te ontwikkelen. Zo werd hij op tienjarige leeftijd aangenomen op de academie. Onder de behoudende J.P. Koelman (1818-1893) hield het onderwijs zich daar verre van actuele ontwikkelingen in de kunst, zoals de Haagse School. Uiteindelijk verliet Bauer de academie zonder examen te doen. Daarna betrok hij een atelier, bezocht de tekenavonden van de kunstenaarsvereniging Pulchri Studio en kreeg een ‘beurs’ van Koning Willem III. Dit leverde hem twee jaar lang een jaargeld op waardoor hij onbekommerd kon leven en werken. Eind jaren ’80 ging hij regelmatig naar Amsterdam waar in die tijd het zwaartepunt van het Nederlandse culturele leven lag.
Vermoedelijk was het de schilder en etser Philippe Zilcken (1857-1930) die de directe aanzet tot Bauers eerste reis naar het Oosten gaf. Zilcken was een van de eerste Nederlandse kunstenaars met belangstelling voor het Oosten. Hij reisde zelf in 1883 naar Algerije, legde collecties aan van oosterse muilen en Japanse prenten, terwijl oosterse thema’s een terugkerend aspect van zijn werk vormden. Bauers eerste oosterse reis werd gefinancierd door de Haagse kunsthandelaar E.J. van Wisselingh. Toch was het schipperen: Bauer moest zijn vader om geld voor de terugtocht vragen. Opgetogen en vol van indrukken keerde hij eind1888 in Den Haag terug. Hij richtte zich op het maken van etsen: kleine, van zinken plaatjes gedrukte prenten, die qua karakter heel spontaan en direct zijn. Deze kregen bekendheid door de tentoonstellingen van De Nederlandsche Etsclub. Later ging hij op koper etsen, ook in grotere formaten, en zou zijn naaldvoering haarfijn worden.
In 1892 was Bauer opnieuw in Istanbul. Hij had inmiddels belangstelling opgevat voor literatuur met oosterse onderwerpen. Uit een brief aan Philippe Zilcken uit dat jaar blijkt dat zijn visie op het Oosten nu is veranderd. Refererend aan de beroemde Vertellingen van duizend-en-één-nacht, schreef hij: ‘[…] telkens denk je, dat Aladdin met zijn slavenstoet zal verschijnen, om zijn schatten te gaan leggen aan de voeten van de Sultan, of dat een troep eunuchen in schitterende kleding je voort zullen jagen en de straat schoon vegen zullen, want de prinses Badoura nadert in haar draagkoets, tusschen een drom van slavinnen om naar het bad te gaan.’
Veel van Bauers etsen, schilderijen en aquarellen zijn bijna even sprookjesachtig als deze beschrijving. De toeschouwer vraagt zich dan ook af of zijn voorstellingen in enige mate waarheidsgetrouw zijn. Bauers biograaf M.F. Hennus stelt onomwonden: ‘Bauer was een visionair. Hij moest de ogen dichtdoen om te zien. Als hij ze heropende was in hem het beeld gerijpt dat hij daarginds te onmiddellijk en door te veel toevalligheden afgeleid had waargenomen.’ De schetsboeken van Bauer tonen niettemin dat hij altijd een zekere binding met de werkelijkheid hield. Details in zijn werk baseerde hij vaak zelfs letterlijk op zijn schetsen of op foto’s. Hij fotografeerde niet zelf maar kocht de foto’s onderweg, met name tijdens zijn verblijf in India in 1897/98. Daaronder zijn opnames van bekende fotografen uit zijn tijd, zoals Félix Bonfils en Zankagi frères. Overigens bleef zijn werk altijd een sterk persoonlijke visie op de werkelijkheid. Menselijke ellende speelde bij hem zelden een rol. Hij concentreerde zich voor alles op het feeërieke en picturaal aantrekkelijke. Zelfs een paar voddenrapers in een donker straatje groeien bij hem uit tot een idyllisch tafereel. Bauer verdiepte zich niet in het wezen van een andere cultuur. De oosterse kunst had geen invloed op zijn werk. Hij sloot in hoofdzaak aan bij de schilders van Tachtig. Zijn aquarellen tonen de invloed van Johannes Bosboom (1817-1891), terwijl Rembrandt vaak als bron van inspiratie voor zijn etsen genoemd wordt.
Bauer was oriëntalist. Fakirs, moskeeën, een groep kamelen, slangenbezweerders, buikdanseressen, een karavaan in de woestijn, dat zijn de onderwerpen die keer op keer in zijn werk naar voren komen. Het sprookjesachtige licht waarin hij ze schilderde weerspiegelt de betoverende aantrekkingskracht die het Oosten op hem had. Zijn voorkeur voor pracht en praal viel ook zijn tijdgenoten op. P.L.Tak, hoofdredacteur van het blad De Kroniek, waarvoor Bauer in1896 in Rusland verslag van de kroning van de Tsaar deed, schreef: ‘Helaas, achter de schitteringen van dat Moskausche prachtvertoon ligt al de ellende van een verwaarloosd volk, dat men nu nog met slagen regeert.’ Voor hij naar Rusland vertrok had Bauer in de vorm van een politieke prent kritiek op de toestand daar geuit. Eenmaal in Moskou onder de bekoring van wat hij te zien kreeg, won zijn kunstenaarsoog het echter van zijn kritisch denken.
In 1897 zette Bauer voet aan wal in India. Bij deze reis vielen de uiteenlopende kanten van zijn kunstenaarschap – schilderen, etsen, aquarelleren en tekenen, maar ook zijn schrijverschap en het illustreren – op unieke wijze samen. De Kroniek publiceerde de verslagen van zijn reizen. Al snel na aankomst raakte Bauer in de ban van het land. Hij schreef: ‘Waarom toch dat eeuwige dwepen met sloten en plassen en molens, waar men zwelgen kan in de lijnen en kleuren van tropische wouden en tempels.’ Zijn tocht begon in Bombay, waar hij maar kort bleef omdat er pest heerste. Per trein reisde hij naar Benares en naar Agra, waar hij in vervoering raakte bij het zien van de Taj Mahal. Andere plaatsen en bezienswaardigheden in het noorden en midden van het land volgden. Begin 1898, voor het hete seizoen begon, keerde hij naar Nederland terug. Hij schreef: ‘Nu komt het tweede genot, dat der herinnering, schoner nog dan de werkelijkheid. Het minder mooie en de westerse nasmaak verdwijnt, en er rest een wonderland van paleizen en tempels, bevolkt met onafzienbare rijen van bontgeklede oosterlingen, van rijkgetooide paardenstoeten, van kamelen en drommen olifanten. De herinnering verzacht de schaduwen en het licht, werpt een doorzichtige sluier over de werkelijkheid en verandert haar in een droombeeld waarvan de kleuren nooit zullen verflauwen.’
Een bijzonder aspect van de reis van Bauer naar India is dat hij als een ware ‘commerce-voyageur’ voor Kunsthandel Van Wisselingh op zoek was naar Boeddhabeelden, waterpijpen en snuisterijen. De zaak Van Wisselingh groeide in deze tijd spectaculair. De firma richtte voor diverse Amsterdamse families zelfs complete huizen in. Dat wat Bauer in India aan kunst en antiek kocht vond voor een deel daarheen zijn weg en flankeerde in verschillende gevallen de etsen, schilderijen en aquarellen die hij zelf gemaakt had.
Na India volgden nog reizen naar onder meer Syrië en Palestina, Noord-Afrika, Indo-China en Nederlands-Indië. Het Oosten bleef een onuitputtelijke bron van inspiratie voor deze uitzonderlijke etser en schilder. Bauer stierf in 1932.
De diapresentatie van deze lezing kan bekeken of gedownload worden door het aanklikken van Marius Bauer
De in 1996 opgerichte Bauer Documentatie Stichting heeft onder meer veel tot dan toe onbekend werk getraceerd bij particulieren. Dit is voor een groot gedeelte op de tentoonstelling in Singer Laren te zien. Tevens wordt in de nieuwe monografie OOGSTRELEND OOSTERS (2007) hieraan ruime aandacht besteed. (voor meer informatie zie de website http://www.mariusbauer.nl/).